Hagel
Als we de zuidkust verkennen is het weer nog niet helemaal tip top. Op weg naar Nugget Point worden we overspoeld door hagel die niet van boven, maar van rechts komt. Een bosje biedt ons een welkome schuilplaats. Ondanks dat blijft het een mooi uitzicht, zijn we nog nooit zo dicht bij de zuidpool geweest en stroomt het water hier linksom het putje in. Invercargill laat ons zien dat er (naast de Engelse) ook een behoorlijke Amerikaanse invloed is op Nieuw Zeeland, vooral door de rechte straten, pickups en de fastfoodketens. Een andere wat meer bekende invloed vinden we in Balcutha, waar Marije een supermarktje naar binnen gaat voor brood en naar buiten komt met een hele selectie hagelslag, vruchtenhagel en vlokken. Dat maakt het kleffe brood gelukkig weer wat eetbaarder.
Dunedin
In Dunedin (nieuw Edinburgh) doen we een poging ’s werelds steilste straat (35%) met het busje te beklimmen. Al snel laten de paar paardenkrachten die we hebben ons in de steek en zijn we genoodzaakt met een scherpe bocht naar rechts een oprit op te rijden. De bewoner kijkt ons al lachend aan en als wij de terugtocht naar beneden beginnen, komt de volgende auto met volle vaart een poging doen.
De albatrossen ten oosten van Dunedin willen ons in verband met hun broedseizoen niet ontvangen. De Moeraki Boulders willen het wel, maar goed dat zijn stenen en die hebben niet zoveel keuze. Na de Boulders ontdekken we in het binnenland de voortekenen van mooi weer. Omgeven door de witte bergen bij Mount Cook en een strak blauwe lucht, wandelen richting Tasman glacier. Wat in het zonnetje lijkt op een klein laagje grind blijkt volgens de boekjes op sommige plaatsen een 600 meter diepe glacier te zijn.
Dolfijnen
Op het schiereiland ten oosten van Christchurch, Akaroa, genieten we van een heerlijk avondzonnetje, om de dag erna te gaan zwemmen met dolfijnen. De schipper neemt ons mee de baai uit richting open zee. En al snel cirkelen er een stuk of vier dolfijnen rond de boot. Duikbril, flippers en snorkel gemonteerd en zo snel mogelijk de plons. De plons wordt gevolgd door een brrrrrrr, van het koude water dat mijn pak in stroomt, en het brrrrrrr krijgt zijn opvolging door een luid gegil en gezang van mijn mede snorkelaars (en ook een beetje van mij) om de dolfijnen nieuwsgierig te houden. En dat lukt, want gedurende twintig minuten blijven ze rond ons heen (en tegen ons aan) zwemmen. Misschien gaat de meeste eer wel naar een andere dolfijnenzwemmer die hopeloos een hond imiteert, wat zelfs mijn nieuwsgierigheid opwekt.
De volgende morgen horen we via een omweg, na een niet goed functionerende wereldontvanger, gevolgd door een hotelkamer zonder satelliet, gevolgd door een bar met satelliet zonder voetbal, telefonisch dat ik mijn petje binnenstebuiten (en dus oranje) mag dragen. En dat we van de zomer weer een reden hebben om voor de (voor ons steeds onbekender wordende) tv te zitten.
Walvis
Voor de tweede maal in ons leven komen we aan in Kaikoura, het is aan het einde van een stralende dag, dus we hebben goede hoop dat de dag erna ook ideaal is om walvissen te kijken. De volgende morgen begint ogenschijnlijk goed, maar de schijn lijkt te bedriegen, de boten varen niet want het is een ruige zee. Vanuit de helikopter blijkt het ook wat moeilijker om een walvis te ontdekken, maar het wachten wordt beloond en we zien de enorme walvis een duik naar het kilometerdiepe nemen. De walvis, met zijn 20 meter en zijn gewicht dat vergeleken kan worden met 40 van onze busjes, gaat op jacht naar een (mogelijk) nog groter onderwater gevaarte, een inktvis (tot wel 25 meter), eet smakelijk.
Decadent stappen we als thuislozen weer uit de helikopter en sturen onze bus naar het noorden.
|